Het was
in de tijd dat de Moerenburg een beoogd landschappelijk gebied rond de stad
Tilburg was.
Tilburg,
toen stad, nu een wijk in Groot Brabantland waar
industrie en fijne stof het zwerk beheersen.
In die
tijd leefde daar een man met grote idealen, groot sociaal gevoel, met een groot
hart, groot gevoel voor humor.
Een ego
met een heel grote mond.
Charmant,
veroveraar en wereldbestormer die zich verborgen
hield in zijn hoofdgebouw, denkend:
als ik
later binnen ben zal ik de wereld gaan veranderen.
In
mijn eentje.
Dan
word ik klokkenluider en dan bestorm ik persoonlijk de corruptie en de
schimmige hemel.
Met veel
geweld, kabaal en op mijn nieuwe racefiets. Isaac.
En als ik die daarvoor moet offeren dan doe ik
dat als herhaling van zetten.
Hij zou
woningen en wonen een nieuwe dimensie bezorgen vooral voor de lagere klassen.
Betaalbaar, bewoonbaar, leefbaar, … en van
ongekende architectonische en landschappelijke schoonheid.
Geen
stadsraad, inquisitie, baljuw of raad van commissarisssen
zou hem in zijn plannen kunnen stoppen.
Hij was bestemd in één naam genoemd te worden
met Ghandi, Mandela, Drees
en Jace van de Ven.
Zo zou het beschreven staan en dus zou het zo gebeuren.
In Johannes 50 staat hij benoemd als de klokkenluider van de Moerenburg
Een
zekere Louis Raaijmakers, volgens de analen één van
de lieden die wekelijks in het peleton
van de klokkenluider meereed
heeft dit ooit
bezongen in een ballade toen de klokkenluider de leeftijd van 50 jaar bereikte,
wat overigens toen
een respectabele leeftijd was.
Hij
noemde het een BalladJan,
tot groot ongenoegen
van hedendaagse scholieren die deze dichtvorm voor elke toets uit hun hoofd
moeten leren,
iets dat in die tijd
ongekend was.
Die
ballade is in één van de huizen die hij via zijn Domein beheerde tussen het
puin van de afbraak gevonden
en door een jonge
hoogbegaafde steigerwerker in veiligheid gebracht.
Deze
treft u hieronder.
Voor
goed verstaan moet u weten dat er volgens de dichter maar drie soorten mensen
zijn:
Gelovigen,
Niet-gelovigen en Fietsers.
En die
worden in de ballade toegesproken.

Gij fietsers, die hem zwoegend,
pratend, in genot verhalend kent.
’t is ongewis, hij rijdt
op kop of blijft aan de staart wat hangen.
Gij weet dat hij
floreert, als dubbelgeveerd en liefst nog ongeremd.
Gij weet ook voorts: hij zegt van wel en gaat
zijn eigen gange.
Zo wint hij al en
ieder, vrij, de lach en onbevangen.
Doch heeft voorhands een zwaar gedacht van de chirurg
met vrees en toch ook
levensdrang ontvangen.
De klokkenluider van
de Moerenburg
Ballades over
fietsers, de verwachting ver voorbij.
Grote helden, geliefd,
gehoond, zij zijn zichzelf genoeg, het godzijn zo
nabij.
Zij zijn geëerd als
held, doch soms niet gehoord en dat is treurig.
Ook voor de
klokkenluider van de Moerenburg
En iedereen roept
‘k wil
hem graag nog eens horen
De klokkenluider van
de Moerenburg
Klokkenluider van de
Moerenburg
Gij, gelovigen, gij denkt
niet, maar weet van hoog moraal.
Beter luisterde gij naar de charmante torenhaan en de zin waarmee hij is
verbonden.
Wars van het blinde
ideaal en van volwassenheid al helemaal.
Hij weet in de pluche van patroon en prediker het persoonlijke
aardschoon te konden.
Bespeelt de hoofden
als de haan die zijn eigen kraai weerkaatst heeft teruggevonden.
Een wonder dat het de
wereld nog maar zo weinig gaf, zo weinig ook voor Tilburg.
Maar welk profeet
heeft ooit zonder geweld zijn gelijk gevonden ?
Juist…. de klokkenluider van de Moerenburg
Wat gezegd is keert
niet weer, wordt nooit verhaal, nooit waarheid,
als niet gesproken met
humor, zelfspot en beschaamde klaarheid.
Dan pas, en niet eerder,
komt een verhaal in zichzelf terug,
Als van de
klokkenluider van de Moerenburg
En iedereen roept
‘k wil
hem graag nog eens horen
De klokkenluider van
de Moerenburg
Klokkenluider van de
Moerenburg
Gij, ongelovigen. Gewoon
om niet te luisteren en immer te twijfelen, te vragen.
Een ware luider; hij
zingt zo zuiver en alleen, zonder engelenkoren.
Hij beeldt de gène, de vergeten waarheid en zal noch leugen, noch geheim
verdragen.
Hij viert zijn touw.
Het kind krijgt lucht en voelt zich hergeboren.
Hij speelt zijn spel,
hij componeert en zaait het liefst in eigen voren.
Wil niet verliezen wat
hij vindt in dromen. Is mild en soms kieskeurig.
Een mysterie. Is het
podium? is het luim? Of de noodklok van de toren.
Van de klokkenluider
van de Moerenburg
Overtuiging; het
ideaal en het verhaal, storm rond de toren, woorden zijn nog net niet koud.
De AEX van de
maatschappelijke wroeging. Waar was ik goed , waar zat
ik fout.
Wie zoekt staat nooit
met lege handen. Geluk als levensstijl. We wensen het je toe. En ook de durf.
Jij, klokkenluider van
de Moerenburg
En iedereen roept
‘k wil
hem graag nog eens horen
De klokkenluider van
de Moerenburg
Klokkenluider van de
Moerenburg
Louis